1 2 3 Architecture, Lezing Dominique Boudet

institution: La Cambre Architecture Faculty
organizer: Peter Swinnen
location: Flagey
lecturers: Peter Zumthor, Floris Alkemade, Jurgen Mayer, Dominique Boudet, Terence Riley, Francois Chaslin, Jan de Cock, Xaveer de Geyter, Jorg Schlaich, Deyan Sudjic, Mansilla & Tunon, Andreas Ruby




Wat is een bewoner?
Dominique Boudet over de Villa dall’Ava
One Two Three Architecture, Flagey, Brussel, 5 -12- 2005


tekst:Christophe Van Gerrewey in:
AAVV, Moderne Tijden.Teksten over architectuur, Vlees & Beton 72, WZW Editions & Productions, Gent, 2007, pp.204-206.


In de lezingenreeks die door de Brusselse architectuurschool La Cambre (en door architect Peter Swinnen van 51N4E) in het Flageygebouw wordt georganiseerd, trad onlangs Dominique Boudet aan. Boudet is architectuurcriticus, journalist en uitgever van een aantal architectuurtijdschriften. Het was echter niet in die hoedanigheid dat hij de menigte toesprak – en van een menigte was zeker sprake: de grote zaal van Flagey zat bijna vol, wat toch neerkomt op een kleine vijfhonderd bezoekers, zeldzaam veel voor een lezing over architectuur. Boudet gaf dan ook een lezing als bewoner van de Villa dall’Ava, als de bevoorrechte getuige bij uitstek. De nieuwsgierigheid bij het publiek was dus groot: het komt niet vaak voor dat een gebruiker met kennis van zaken een forum krijgt – en aanvaardt – en een blik gunt achter de schermen van de totstandkoming van een van de meest gevierde huizen van de twintigste eeuw.
Het beeldmateriaal dat Boudet had meegebracht was zonder meer adembenemend: hij toonde twee voorontwerpen van Koolhaas, die het creatieve proces in al haar kwetsbaarheid blootlegden. Daarnaast werden er documenten geprojecteerd die de ontstaansgeschiedenis van het huis illustreerden: een proces waarin, passend genoeg in een lezingenreeks met deze naam, het getal drie een belangrijke rol speelde: drie terreinen, drie architecten, drie ontwerpen – vooraleer alles in een definitieve plooi kon vallen. Het mooiste – en meest veelzeggende – beeld van de avond was misschien nog een zwartwitfoto van de eerste spadensteek, aan het terrein toegediend door de dochter des huizes, onder het glimlachend oog van onder meer Rem Koolhaas (en Xaveer De Geyter) zelf. Het zou die avond openlijk gaan over het gebruik – over de ervaringen van mensen die nu al bijna vijftien jaar het voorrecht hebben in dit meesterwerk te wonen. Boudet presenteerde zich, aan de katheder links van al dit visueel vuurwerk, als een opdrachtgever-met-voorkennis: alles had hij gezien in de loop van de jaren zeventig en tachtig – de huizen van Le Corbusier, Mies van der Rohe, Kahn, Ando – noem maar op. Koolhaas was nog een beetje een onbekende voor hem (en voor de rest van de wereld), toen ze in 1982 besloten samen in zee te gaan. Als het huis in 1991 eindelijk opgeleverd geraakt, staat OMA al heel wat verder – we zijn dan slechts een paar jaar verwijderd van de publicatie van S,M,L,XL. Zo viel de wordingsgeschiedenis van de Villa dall’Ava mooi samen met die van haar architect.
‘Daughter at once to the architect and the client,’ zo noemde Rafaël Moneo dit huis ooit terecht. Het valt niet te ontkennen dat het huis niet zou geworden zijn wat het nu is, mocht er niet een dergelijk gedreven bouwheer bij betrokken geweest zijn. En toch is het maar de vraag of die ontegensprekelijke intentie of betrokkenheid zomaar aanleiding kan geven tot definitieve autoriteit, tot het recht op spreken. Het gevaar bestaat dat deze autoriteit van de bewoner alles omtrent de Villa – de interpretatie ervan, de betekenis, de verbeelding, de positie in de cultuurgeschiedenis – zomaar op de veiligheidspal zet. Men ervaart de neiging om Boudet ontegensprekelijk gelijk te geven bij alles wat hij beweert over de Villa dall’Ava – als hij het al niet zou weten! Maar wie het voorrecht heeft te wonen in de Villa dall’Ava, kan niet anders dan dit ‘wonen’ delen met de rest van de wereld.
Het slotbeeld van de uiteenzetting was algemeen bekend: een nachtelijk vogelperspectief op de Villa, met een oplichtende Eiffeltoren in de verte, met een lichtgevend zwembad en een fontein op het dak. ‘Dit wordt gezien als het emblematische beeld van de woning,’ zei Boudet, ‘maar dat is onterecht.’ Het gebruik heeft andere prioriteiten aan het licht gebracht: niet de nabijheid van de Eiffeltoren, maar de wijzigende lichtinval; niet het zwembad op het dak, maar de betrokkenheid van de tuin op het interieur; niet die zware verdieping op het transparante gelijkvloers, maar de mogelijkheid om buiten te ontbijten alsof je toch binnen zit. Dat valt – nogmaals – niet tegen te spreken, maar is het wel hierom dat de Villa dall’Ava zo beroemd en veelbesproken is geworden? In de architectuur van Koolhaas is de bewoner – en diens ervaringen, diens geluk – eerder middel dan doel.
Duizenden anderen, die het huis niet eens betreden hebben, ontlenen er evenzeer ervaringen aan, weliswaar van een andere aard. De echte bewoner van de Villa dall’Ava is niet Dominique Boudet, maar om het even wie S,M,L,XL openslaat op het hoofdstuk ‘Obstacles’, of een foto van de Villa opmerkt in een tijdschrift of op het internet – en erdoor in vervoering geraakt, erdoor geraakt wordt, en er altijd geldige maar nooit definitieve waarde aan verbindt. De grootsheid van de Villa dall’Ava bestaat hierin, dat zij, binnen de door het ontwerp aangereikte verbeeldingsgrenzen, voor om het even wie om het even wat kan betekenen. Om deze ontzaglijke waarde in stand te houden, kan men dus niet anders dan een getuigenis van de bewoner negeren of relativeren, en moet men dus de lezing van Boudet verlaten hebben met nieuwe, interessante, maar eeuwig verschuivende satellieten van deze architectuur.